Philippe Cailliau

 


Dood zijn doet geen pijn



Een zerk was hem beloofd. Echt marmer bovenop,

dat werd verzekerd. Maar poedersgewijs waren

verbazing en verdriet verspreid tussen de zoden.


De dode was aldus verstrooid, vertelde, die van

marmer was, de steen: “Hij struikelde over zijn

stoppelbaard toen hij, als elke nacht, het huis

verliet”. Verloederd was zijn leven al. Nu nog zijn


dood. Aangevinkt stond in het register van het

kerkhof dat deze verscheiden man geen ligging

had. Geen knekelhuis, geen schuilkapel. En op

een glimmend bord: dat elke verse bloem moest

worden overhandigd aan de gravers van de dag of

de conciërge. Ook dat verstrekte diensten werden

gefactureerd pas na betaling van het liggeld.


Wat een bekend terrein! Hier is hij thuis, hier is

hij. In de grond een lap lankmoedigheid, veel

doodstrijd en verkommering. Gelukkig is het

niets. Wat zwijgt. Dat spreekt.



(Verschenen op het blog “De Schaal van Digther”, 22 augustus 2013)



Hoofd van Tollund



Ik zit. Ik zit.

Ik zit waar jij niet zit.

En als ik rechtsta, dan zit jij

nog niet waar ik nu sta.


Jij kunt niet zitten

waar ik zit.

Of sta. En


of ik pijn heb

of geen pijn, daar

waar ik lig,

daar lig jij niet.

En het doet pijn.


Ik lig. En jij

ligt niet.

De ruimte wordt

wellicht gevoed

met flitsen

die de schedel vullen

die ik ben. Die pijn

ben ik.


Ik lig. Ik lig.

Ik lig waar jij niet ligt.

En als ik rechtsta, dan lig jij

nog niet waar ik nu sta



(Uit: Het boek nul, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2013)



Kazemat



Niet vriendelijk oogt Sedan:

de holte van zo vele vuren.

In de kazemat schuilen de levenden

en denken zich beschermd voor vuur

uit twijfel, angst, uit weggeteerde

dromen die nooit ver zijn, als

knallen tegen hoofden, inslagen

in een long. Daar gaat de schijn,

ver van, dicht bij het oog dat nu

nog heel is maar toch weinig ziet.


Het vocht, de stank van kruit kruipt

uit de geest, slaat op het hart.


In Sedan zijn meer zonen

gevallen dan er vaders zijn.



(Uit:  Het boek nul, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2013)



Identificatie



Alle documenten zijn beschikbaar.

Zwangerschap, geboorte. Geslacht. Dood

nog niet. Meer dan het halve leven. En dan

nog allerhande opvoeding. De groeibewijzen

zijn bepoteld, en ook de inwijdingen.

Het is de vraag wie hier de hand in heeft.


Dit is een stamboom, met hier en daar een invulgat.

Verschrompelde vrouwen borduren. En mannen?

Het heeft geen belang. En het huwelijk, neen, dat niet.

Want hij wilde zich niet binden. Of wel. Of niet.

Of een stempel bij iets onverwachts, iets historisch

als een oorlog of een nieuwe republiek, waarvoor

vanzelf het certificaat van bestaan geboden wordt.


De map met documenten is dun. Heel geel, heel dun.

De slepende ziektes zijn gekomen, zoals ze nochtans niet

zijn aangekondigd. Hij is, en wat hij nalaat aan wie

erom vraagt: een vaag dossier met op elk blad een

gele plaknotitie, een of twee – een flinterdunne map.



(Uit: Het boek nul, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2013)