Philippe Cailliau

 

Philippe Cailliau

Vette aarde, natte grond (1914-1918)



Gewoon, zo heel gewoon is natte modder. Mijn

ransel maakt een kromme rug. Zwart slijk, een

loopgraafvoet, een diepe zuigreflex, mijn nat

gevoel van koude nattigheid. Er wordt gezien dat

tussen vlees, leer en metaal soms argeloze poppies

wuiven. De ratten vieren feest  in niemandsland.


Want prikkeldraad wordt in het landschap van de

maan geweven, en in het gangenweb verdwalen kan

de beste gids. Waak over bodemloze angst, want

Angst is edelmolm. Het is er nat, het is er bloed, het

is er nattig nat. De gore stank rondom de kraterlijn.

Een mijn. De rode draad  die doorgetrokken wordt


naar wat na honderd jaar


een voetenpaar zich te gedenken weet: de stilte

van de kalkgrond die nu witte graven draagt, de

wind die liggen gaat, maar nooit zo als… de obligate

poppies die met ons elk jaar in Vlaanderen wuiven.

Niet opgegraven, te weinig voor een naam: een vader


of een zoon. Zo’n verre neef. Een stukje broer. Die laatste

nacht is nooit een dag geworden toen. En ook vandaag

nog zullen drasse liefdegroeten wachten in verzonken

lekke gangen. Zo’n honderd jaar is heel gewoon.

Mijn herkomst is de som van vette aarde, natte grond.







Zoek



Als je een levenslang

bezweren zoekt in mij,

verlangens in de lengte

en betekenissen in de

breedte, zoek dan niet

verder.


Kijk noch in kreupelhout

of bos, noch in een winkelstraat

of op een festival. Zoek

niet, het is er niet. Hoewel.

Zoals het nu echt nooit 

geworden is, zo was het ooit.

Zo spoorloos was de lange tocht.


De zin is zoek. Het woord.

Er is de pijn in oog,

aan hand of voet, in stem.

Maar voelen doe ik niets.









Tableau mort


Weg is niets. Geen afstand

meer. Gezelschap is verlangen

amper. Prijsgegeven naakt.


De nachten in de stormkampen

waarin een liefde werd

bedreven als zeehandel drijven,

hebben de hete buigzaamheid

van toen niet meer. Geen

toekomst lonkt. Om weg te zijn.


In waken heerst berekening.

In slaap is water onvoltooid


Uit: “Niets verloren”, Kleinood & Grootzeer, 2014









Een bed


Altijd ligt een bed te wachten, altijd wordt, met

kruis of munt, de duisternis gesloten. Schroom

laat diepe sporen na: ontstaan is zo het

bekken van de mens dat wipt en wiegt, dat

schuifelt en naar handdoek ruikt, of vogelnest.

Het is nu late middernacht, de man die waakt


besluit zijn laatste ronde van de dag en ziet, geblust,

de dag gekarameliseerd in slaap en weer een dagje

ouder zijn. Hij trekt een handschoen uit, na elke vinger

nog een vinger, en de tweede handschoen. Tot

hij zich, naakt als het laken, koud te ruste legt.


Ooit zal hij kiezen met beschaafde zorgzaamheid

voor vier gewatteerde planken in een open en

verweesd bestaan. Het is ook angst: dat langzaam

en alert ontwaken voor het krieken van de dag.

Dat vruchteloze wachten op verwarring van een

ochtend die, door wolken roet verduisterd,

ontspoorde treinwagons verdwijnen laat. 


Leksgewijs vloeien veel schaamte en verlangens 

uit de kranen van dit huis. Geen pan, geen emmer

vangt voortvluchtig vocht voor later. Want dit ledikant

dat droog blijft, zacht en kraaknet in de donkerte

na middernacht, wacht ieder etmaal op de man,

kreunt met geduld tot, in zijn rugzak, een vermoeide

herder in een droom zijn kleine klokken luiden laat.


Uit: “Niets verloren”, Kleinood & Grootzeer, 2014